‘Curaçao geeft nu het voorbeeld’

ROTTERDAM-Letter voor letter stempelt Veronique Dellebeke woorden en zinnen op een groot vel papier. Elke letter, sierlijk of juist strak, is gekopieerd uit het handschrift van bezoekers en kunstenaars in de Kunsthal Rotterdam. Samen vormen ze een gedicht dat is geschreven door inwoners van een zorginstelling voor ouderen. “Als het klaar is, dan krijgen ze het cadeau,” zegt de 22-jarige studente.

(…)

All you can Art 2 was een succes, zeggen initiatiefnemers Tirzo Martha en David Bade, terwijl er nog volop geschilderd, geboord en gezaagd wordt. Ze zijn met name blij met de samenwerking met partners; het bejaardenhuis Laurens, de instelling voor verslavingszorg Antes en het Zuiderparkcollege-vmbo. “In de tuin van het bejaardentehuis stond een plantenbak vol bouwpuin, waardoor de plantjes niet overleefden. Samen met de bewoners hebben we een kunstwerk gemaakt in de vorm van een boot, waar plantenbakken aan bevestigd kunnen worden. De bewoners kunnen die gebruiken voor bloemen en kruidentuintjes. Het heeft ook een grote kooi, omdat veel bewoners het leuk vinden om voor vogels te zorgen,” zegt Martha. Als gevolg van de actie is het puin uit de tuin gehaald en is er goede potgrond voor in de plaats gekomen.

Fragment interview voor Amigoe, augustus 2017

Carnavalskoningin èn erfgoedspecialist

Het Rotterdamse Zomercarnaval werd vorig jaar als 100ste traditie toegevoegd aan de Nationale Inventaris voor Erfgoed. Dat was vooral te danken aan carnavalskoningin Dyonna Benett, die meeloopt tijdens de Gran Marcha. Onvermoeibaar strijd ze voor de erkenning en het behoud van Caribische tradities en voor een eerlijke weergave van de geschiedenis.

Door Otti Thomas
“Elke Queen zegt natuurlijk dat ze er altijd al van droomde. Als kind zie je andere koninginnen en wil je dat ook. Mijn moeder was een echte carnavalista en heeft haar liefde voor carnaval doorgegeven aan mij.” Voor de 27- jarige Dyonna Benett komt tijdens de Gran Marcha een lang gekoesterde wens uit. Als Queen vertegenwoordigt ze het Rotterdams Zomercarnaval.
Jaren geleden deed Benett dochter van een Curaçaose moeder en Curaçaos-Dominicaanse vader al mee aan de Marcha di Despedida en de Tiener Parade op Curaçao. Samen met haar zus en nicht was ze lid van The Original Dancers, de dansgroep van haar moeder, die ook optrad in België en Duitsland. Ze is een trouwe deelnemer aan het Rotterdams Zomercarnaval en won samen met Unicum Brassband twee keer de Battle of the Drums. Maar dit wordt haar eerste Gran Marcha.
Deels is haar deelname toeval. Ze was in 2015 First Runner-up van Queen Witney van Ommeren. In 2016 werd geen nieuwe Queen gekozen omdat het Zomercarnaval door het slechte weer werd afgelast, zodat Benett als First Runner-up naar Curaçao mocht. Maar ook als er een nieuwe Queen was gekozen, had ze meegedaan. Dankzij haar werd het Zomercarnaval vorig jaar aan de Nationale Inventaris van Immaterieel Erfgoed toegevoegd. En erfgoed is haar grootste passie. “Ik moest wel meedoen.”

(…)

Op school worden we vooral geconfronteerd met de Tweede Wereldoorlog, dus we kunnen ons beter verplaatsen in alle gevoelens die daar mee te maken hebben. Over slavernij hoorden we weinig. Ook mijn familie praatte daar nauwelijks over, terwijl het een belangrijk deel van hun identiteit is. Pas in het derde jaar van mijn studie kreeg ik het keuzevak Culturele Contacten. Daarin maakten we kennis met de geschiedenis van de slavernij en de segregatiewetten. En empowerment: bruine filosofen, wetenschappers, schrijvers. Veel indruk maakte een studiereis naar het Museum of London, waar ik een gigantische poster zag van een bruine man, Ignatius Sancho. Hij was geen slaaf – eigenlijk zeggen we tot slaaf gemaakte – maar hij was de eerste Afrikaanse schrijver van wie een boek werd gepubliceerd. In tentoonstellingen in Nederland, Parijs of Berlijn was een zwarte man nog nooit op die manier getoond. Ik vond het ontroerend. Er waren namelijk veel zwarte wetenschappers, hoogleraren en filosofen, maar die verhalen hoor je weinig. Daardoor zijn er weinig rolmodellen.

Fragment interview voor Ñapa/Amigoe, februari 2017

“Vervuiling pas probleem in de natuur”

“Vervuiling is blijkbaar pas een probleem als het zich in de natuur bevindt,” constateert hoogleraar Rivke Jaffe. In ‘Concrete Jungles’ schrijft ze over de scheefgroei in de aanpak van milieuproblemen en de acceptatie dat er nu eenmaal vieze en schone wijken zijn.

Door Otti Thomas

De wind stond de verkeerde kant op. Rivke Jaffe, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, blijft zich verbazen over de gebruikelijke verklaringen voor overlast door de Isla-raffinaderij, zoals onlangs bij de evacuatie van de Juan Pablo Duarte school. “Het probleem is niet dat de wind de verkeerde kant op staat. Voor de bewoners van Wishi Marchena staat hij altijd de verkeerde kant op. Het probleem is dat de raffinaderij giftige gassen uitstoot.”
Tien jaar geleden promoveerde Jaffe tot doctor in de antropologie met een onderzoek naar de scheefgroei bij de aanpak van milieuproblemen. Haar proefschrift vormde de basis voor het boek ‘Concrete Jungles’, dat dit jaar door de Universiteit van Oxford is uitgegeven. Jaffe was aanvankelijk geïnteresseerd in de aanpak van stedelijke vervuiling en omdat haar moeder uit Indonesië komt, koos ze het voor haar onbekende Caribisch gebied; Jamaica en Curaçao. Tot haar verbazing hield echter bijna niemand zich destijds bezig met vervuiling in de stad.

(…)

In veel landen lijkt men ook geaccepteerd te hebben dat er nu eenmaal vieze en schone wijken zijn, zegt Jaffe. De basis werd op Curaçao gelegd met de bouw van Emmastad en Julianadorp. Aan het begin van de vorige eeuw was de Curaçaose Centrale Gezondheidsraad er van overtuigd dat Afro-Curaçaoënaars viezer waren dan migranten uit Europa en dat hun afval ook viezer was. “Ergens zit in de manier van denken en praten – het cultureel repertoire – nog steeds het idee dat sommige mensen viezer of gevaarlijker zijn. In rijke wijken op Jamaica is men er echt van overtuigd dat sommige wijken vies zijn omdat de mensen er vies zijn.”
Het hardnekkig vooroordeel wordt bevestigd door de overdreven aandacht voor milieu-educatie. “Dat komt voort uit de gedachte dat arme mensen niet milieubewust zijn en zelfs de oorzaak van vervuiling. Maar wie zorgen er nu eigenlijk voor de meeste schade? Mensen in SUV’s of mensen die vooral lopen of de bus nemen? Milieuvriendelijkheid wordt niet bepaald door inkomen of opleiding. Er is ook een idee dat arme mensen de natuur niet waarderen. Uniek Curaçao had de slogan Konosé bo Isla. Het is toch raar dat een organisatie met voornamelijk Nederlandse stagiaires aan Curaçaoënaars gaat vertellen dat ze hun eiland moeten leren kennen?”

Fragment interview Ñapa, september 2016

24-09-2016napag5

Anbajsa Blanken bij Amsterdam Fashion Week

02-07-2016naAnbasja

Tijdens de Mercedez-Benz Fashion Week Amsterdam wordt deze week de Ala Blanka collectie getoond van de Curaçaose modeonwerpster Anbasja Blanken. “Het krijg zo’n intens gelukkig gevoel als mensen zich fantastisch voelen in mijn kleding. Dat is precies wat ik wil.”

Door Otti Thomas

Als ze al enige druk voelt, dan is dat niet te merken. Terloops vertelt modeontwerpster Anbasja Blanken dat ze nog twee weken de tijd heeft om dertien broeken te maken voor de Fashion Week Amsterdam; nagenoeg één broek per dag. “Volgende week komt er iemand helpen. Maar ik wilde zoveel mogelijk af hebben. De patronen zijn klaar, ik weet welke stof bij welk ontwerp hoort, welke afwerking nodig is. Dan kan ik het makkelijker uit handen geven.”
De ontwerpschetsen hangen aan de muur van haar kleine Amsterdamse woonkamer. Het is tevens haar atelier, inclusief professionele naaimachines, een gigantisch strijkijzer, paspoppen en rollen textiel, die ze altijd in Parijs haalt. ”Ik neem wel een kleurenkaart mee, maar ik wil me vooral laten inspireren door de stoffen die ik aantref.”
Blanken is een van de deelnemers aan de 25ste Mercedez-Benz Fashion Week Amsterdam, die gisteren is begonnen. Het thema van haar collectie broeken is de paradijsvogel. “Ik wil dat de vrouwen die mijn broeken dragen, zich voelen als een paradijsvogel die flaneert binnen de natuur.” De collectie, genaamd Ala Blanka, verwijst ook naar haar kinderjaren op Curaçao. “De Curaçaose Ala Blanca-duif staat voor vrijheid. Ik heb de ‘c’ in een ‘k’ veranderd, dus het is ook Ala Anbasja Blanken. Ik wilde meer terug naar mijn roots.”

Fragment interview Ñapa, juli 2016

Astrid Roemer: Meer verdriet dan vreugde

28-05-2016naRoemer

De Surinaamse schrijfster Astrid Roemer is de eerste Caribische auteur die de PC Hooftprijs in ontvangst mocht nemen. Ze draagt hem op aan andere Caribische auteurs, onder wie Frank Martinus Arion. “Ik houd van zijn romans want die gaan over mensen die ik herken, personen zoals ik en over levens die invoelbaar zijn.”

Door Otti Thomas Foto’s Mylène Siegers

“Kijk nou! Wie kan dit nu niet mooi vinden,” antwoordt Astrid Roemer op de vraag hoe ze uitreiking van de PC Hooftprijs ervaart. Ze neemt felicitaties in ontvangst, spreekt ze met aanwezigen en poseert voor foto’s met oude vrienden en onbekende bewonderaars. Misschien is ze niet helemaal op haar gemak, maar de 69-jarige Surinaamse schrijfster is dan ook niet opgegroeid met de sociale verplichtingen van de selfiegeneratie.
Ruim een week geleden kreeg Roemer de toonaangevende PC Hooftprijs 2016 voor auteurs van Nederlandstalige literatuur, poëzie en essays. Een vakjury erkende hiermee de relevantie en eigenheid van Roemers romans. “Politiek engagement en literair experiment gaan bij Roemer hand in hand. Naar het oordeel van de jury leidt dat tot romans die tegelijk scherpe en relevante interventies in het publieke debat zijn èn complexe literaire verbeeldingen van de geschiedenis van Suriname.”

(…)

Toch draagt ze de prijs op aan andere Caribische schrijvers. Ze verzocht de stichting P.C. Hooftprijs om de namen van vijf auteurs in de prijs te graveren: de Surinaamse auteurs Bea Vianen, Edgar Cairo en Anil Ramdas en de Curaçaose schrijver Frank Martinus Arion. “Mijn bloedgroepauteurs hebben net als ik de worsteling gekend met een identiteit die meer belastend is dan bevrijdend, die meer verdriet heeft gegenereerd dan vreugde. En niet omdat met individuen uit gekoloniseerde leefgebieden, iets niet in orde is, maar omdat een dergelijke etnisch-culturele identiteit overal ter wereld meebeweegt met de waan van de dag, zoals bij een beursgenoteerde waarde.”
Roemers P.C. Hooftprijs is dus een beetje een Caribische prijs, net zoals Roemer stiekem een beetje gezien mag worden als een Curaçaose auteur. Bewust koos ze tijdens de uitreiking voor een optreden door Izaline Calister. Ze belde de Curaçaose zangeres met het verzoek om drie liedjes te zingen, waaronder het tweetalige ‘Abraca me/Omhels me dan’ van de Nederlandse band BLØF en de Portugese zanger Fernando Lameirinhas. ”Het is toch ook een beetje Papiaments,’ had ze tegen Calister gezegd.

Fragment interview Napa (mei 2016)

Petje af voor Orlando Jacobus

Interview Orlando Jacobus

In 2014 werd hij Haagse Conciërge van het Jaar en in 2015 ontmoette hij Louis van Gaal. De 60-jarige Orlando Jacobus heeft het verdiend. “De Curaçaose cultuur en manier van leven ben ik eigenlijk pas in Nederland gaan waarderen. Genoegen nemen met weinig. Genieten van het leven.”

“Ik hou van de geur van de school na vakanties. Als alle ruimtes dagenlang afgesloten zijn geweest,” zegt schoolconciërge Orlando Jacobus, onderweg naar het computerlokaal van de Sint Carolusschool in Den Haag. Hij heeft net laten zien hoe fris en schoon de gymzaal is, na een nieuwe laag verf voor de muren en kozijnen. Hij schilderde in de weekenden, meezingend met Caribisch muziek. “Weet je hoeveel het kost om dit door een bedrijf te laten doen,” zegt hij.

(…)

Wie de 60-jarige Curaçaoënaar ontmoet, begrijpt meteen waarom hij in 2014 werd gekozen tot Haagse Conciërge van het Jaar. Geen collega of leerling heeft hem ooit betrapt op een chagrijnige bui, schreven de kranten: “Of hij nu in de stromende regen bladeren van het schoolplein veegt of braaksel opruimt van een zieke leerling: het lachen vergaat hem nooit.” Jacobus verwees desgevraagd naar zijn Curaçaose roots. “Ik ben al snel tevreden,” zei hij destijds.

Interview voor Ñapa, maart 2016

‘Altijd een beetje heimwee’

Interview De Kruijf

Ze doet het zelden bewust, maar in de sculpturen en schilderijen van de Nederlandse kunstenares Lucy de Kruijf zit altijd wel iets van Curaçao. Ze woont al ruim vijftig jaar niet meer op het eiland, maar haar jeugd in Julianadorp heeft haar gevormd.

Door Otti Thomas

Een kleur of een vorm. Of de structuur van een oppervlakte. In het overwegend koude, grijze Nederland kunnen de kleinste details onverwacht voor een Curaçao-gevoel zorgen. Associaties die sterker en vollediger zijn dan bij opdringerige reclames voor goedkope vliegtickets, beschrijvingen in een roman of het proeven van een Caribisch gerecht. Onverwachter dan het opvangen van woorden Papiaments in de trein of een bachata uit een lunchcafé voor ambtenaren in Den Haag.

Die typische Caribisch kleuren, vormen en structuren zijn vaak aanwezig in het werk van de Nederlandse kunstenares Lucy de Kruijf. “Ik denk niet bewust aan Curaçao als ik begin, maar elke kunstenaar, elk mens, wordt beïnvloed door de omgeving. Je ziet het ook bij Nederlandse kunstenaars, die op Curaçao gaan wonen. Hun stijl verandert.”

(…)

Mogelijk door de herinnering aan haar kindertijd op Curaçao is het buitenland altijd aantrekkelijk gebleven en een belangrijke bron van inspiratie geworden. Kenmerkend zijn haar ruïnes, piramides, torens en totempalen van keramiek. Ze doen denken aan archeologische vondsten, aan sporen van oude culturen, en eigenlijk zijn ze daar ook op gebaseerd, zegt De Kruijf. “Ik hou van reizen en van wandelen. En altijd kom ik weer restanten van oude bouwwerken tegen, bijvoorbeeld onverwacht op de top van een berg. Wat ik zo geweldig vind, is dat die restanten over de hele wereld overeenkomsten met elkaar hebben,” aldus De Kruijf. Mensen en culturen hebben veel meer met elkaar gemeen, dan de voortdurende nadruk op verschillen doet vermoeden, vindt ze.

Fragment interview Napa/Amigoe, februari 2016

Vornis: Dubbele pet Raad van State knelt

De Raad van State. Het instituut waar met name in Curaçao, Aruba en Sint Maarten lange tijd de hoop op gevestigd was bij conflicten met Nederland. Het instituut dat jaar na jaar in zijn jaarverslag pleit voor meer samenwerking binnen het Koninkrijk en waarschuwt voor de spanningen. Daarin lijkt een kentering zich af te tekenen. Een mogelijke verklaring daarvoor, zegt Robert Vornis, is dat de Raad van State worstelt met zijn eigen rol binnen het Koninkrijk.

Na een lidmaatschap van drie-en-een-half jaar van de Raad trad Vornis terug op 1 mei; de eerste dag die volgde op de maand dat hij 70 werd. Het is de wettelijk voorgeschreven ontslagdatum voor staatsraden uit Nederland. ”Je wordt benoemd voor het leven. Blijkbaar verwachten ze niet dat je ouder dan zeventig wordt,” lacht hij.

Interview Vornis - deel 122-10-2015cInterviewVornis Amigoe2

Fragment interview voor Amigoe, oktober 2015

Interview: Dit is geen abstracte kunst

Etienne BerenosKunstenaar Etienne Berenos heeft altijd inspiratie, ongeacht het land of de stad waar hij woont. Dat is maar goed ook want door omstandigheden verhuisde hij talloze malen. Zijn persoonlijke leven sluit hierdoor naadloos aan bij zijn visie als kunstenaar en als tekenleraar. “Ik wil mensen stimuleren om van de geijkte weg af te gaan.”

“Voor mij persoonlijk bestaat abstracte kunst eigenlijk niet. Abstract is geleend uit de wetenschap. Dat gebeurt wel vaker. In de jaren zestig, de tijd van de ruimtevaart, sprak men opeens over het lanceren van kunstenaars,” lacht Etienne Berenos alsof hij het voor zich ziet. Het is een opmerkelijke uitspraak. Horizontale en verticale lijnen domineren het werk in zijn Haagse atelier.
De achterliggende gedachte wordt pas echt duidelijk als hij later een expositie van zijn werk opent in de Zuid Hollandse plaats Voorschoten, waar hij lid is van de lokale kunstkring. “Dit zijn geen schilderijen van landschappen, maar als ik nooit een landschap had gezien, dan had ik dit niet kunnen maken,” zegt hij.

(…)

Stedelijk Museum

Zijn periode in Amsterdam blijkt uiteindelijk zijn meest productieve periode als kunstenaar. Het Stedelijk Museum koopt zelfs zijn werk, vertelt hij trots. “Pierre Janssen, directeur van de academie in Rotterdam, zei dat we als kunstenaars zouden ontdekken dat de hoogste waardering van vakgenoten komt en niet van mensen die je werk kopen. Dat heb ik onthouden. Iemand die je werk kan kopen, vind misschien alleen de kleuren mooi of koopt het om je naam. Een vakgenoot kijkt echt heel goed naar de kwaliteit,” aldus Berenos. Om die reden is hij blij met de aankoop door het Stedelijk Museum, dat zijn werk toevallig ziet hangen in een smal straatje in Amsterdam.

Airport Art
Het gezin verhuist uiteindelijk toch weer terug naar Curaçao, omdat Berenos zijn kinderen niet in Amsterdam wil laten opgroeien. Hij tekent vervolgens weinig meer. “Ik heb alleen een keer dieren geschilderd op de carnavalswagen van een vriend. Men vond het prachtig, maar ik vond het niets. Dat is een nadeel van Curaçao. Mensen zijn blij met naturalistische tekeningen. In Kenia noemen ze dat airport art. Dat zie je op Curaçao veel. Het geijkte beeld van zwarte mensen met grote billen en veel kleur.” Berenos zoekt even naar de juiste woorden en zegt dan: “Ik heb altijd inspiratie en de behoefte om kunst te maken. Maar op Curaçao was het gewoon niet aantrekkelijk om kunst te maken. Je maakt het om bekeken te worden.”

Fragment interview Etienne Berenos voor Amigoe/Ñapa, 2015

Bijzondere collectie dr. Hugenholtz

Behalve chirurg was dr. Hugenholtz ook een gepassioneerd amateur fotograaf. De Amigoe nam vorige maand tientallen foto’s in ontvangst van zijn achternicht in Nederland, Gejah Nijman. Bij die gelegenheid deelde ze ook haar herinneringen aan ‘oom Jops’.

Door Otti Thomas

“Ik verwachtte dat ik te laat was. Hij is immers al ruim vijftig jaar overleden. Maar heel veel mensen bleken hem nog persoonlijk gekend te hebben.” Op zoek naar verhalen over ‘oom Jops’, zoals hij in de familie werd genoemd bezocht de Nederlandse Gejah Regterschot-Nijman in mei samen met haar dochter Mandy voor het eerst Curaçao.

‘Oom Jops’ is dr. Marie Josephus Hugenholtz, van 1933 tot zijn dood in 1962 chirurg in het Sint Elisabeth Hospitaal. Zijn Curaçaose bijnamen als ‘Dokter Grandi’ en ‘Shon Dokter’ kreeg hij niet alleen vanwege die functie, maar vooral vanwege zijn vrijgevigheid en oprechte betrokkenheid. Om die reden werd hij ook benoemd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau en is er een straat naar hem vernoemd en het Kas Hugenholtz voor mensen met dementie.

(…)

Brand

De foto’s zijn alleen al bijzonder omdat ze bijna verloren waren gegaan. “De foto’s lagen sinds het overlijden van Hugenholtz in zijn woonhuis op Plantersrust. Villa Maria op plantage Plantersrust heet het officieel. Het huis stond leeg en bijna alles was er al uit verdwenen. Mijn oudoom had een grote platencollectie, maar die is ook verdwenen,” vertelt Nijman. “Op hetzelfde terrein woonde zuster Hertha Leonora. Op een dag in 1998 hoorde ze opeens een knal en bleek het huis van Hugenholtz in brand te staan. Het enige wat ze heeft kunnen redden waren de foto’s, een testament en een contract van de Bataafse Petroleum Maatschappij.”

Fragment artikel Ñapa, 29 november 2014

29-11-2014 NAHugenholtz_klein

11-11-2014cHugenholtz